Verslagen
Verslag Bijeenkomst Transatlantische relatie
Platform Internationale Veiligheid en Defensie Platform Internationale Zaken
Dinsdag 18 januari 2005 18.30 – 21.30 Tweede Kamer gebouw
1.
Opening. Marianne Douma, voorzitter Platform Internationale Zaken, geeft kort het kader aan van deze bijeenkomst, die mede mogelijk is gemaakt door het D66 Kenniscentrum en de NCDO (Nederlandse Commissie voor Duurzame Ontwikkeling). De NCDO steunt activiteiten die betrekking hebben op de millenniumdoelen.
Allereerst vestigt zij de aandacht op een aantal actuele ontwikkelingen.
a. Zeebeving op 26/12 in Azië
Gezien de enorme hoeveelheid geld bijeengebracht op giro 555, zou D66 vooral moeten letten op de transparantie van de hulp. Politiek gezien zou D66 zich krachtig kunnen uitspreken over de mate van professionaliteit van de grote hulporganisaties die relaties hebben opgebouwd met organisaties ter plaatse die - zelf soms ernstig getroffen - toch in staat zijn hulpprojecten in te dienen en die ook te kunnen uitvoeren.
b. Millennium doelstellingen
Het zojuist verschenen VN-rapport “Investing in development” geeft aan dat de acht millenniumdoelstellingen, een gedetailleerd en haalbaar plan voor een halvering van de wereldwijde armoede in 2015, betaalbaar is als alle landen hun toezeggingen nakomen.
Zie voor dit rapport http://unmp.forumone.com/
c. Rondetafel bijeenkomst:
Het Platform Internationale Zaken organiseert op vrijdagmiddag 25 februari a.s. een rondetafel bijeenkomst in Utrecht met als thema: de Kaukasus.
Introductie van het onderwerp van de avond.
Op het terrein van de internationale veiligheid spelen voor D66 zowel mensenrechten en democratisering als militaire defensie een belangrijke rol.
In de huidige transatlantische relatie gaapt er een kloof tussen deze kenmerken.
2005! “Four more years” met de regering Bush. Nog steeds vormt de kwestie Irak samen met het Israëlisch-Palestijnse conflict het toonaangevende onderwerp in de internationale politiek. En ondanks compromissen is de politieke verdeeldheid tussen Europa en de VS niet afgenomen. Waarop moet Nederland zich oriënteren; wat zijn de politieke afwegingen?
In dit kader hebben de beide internationale platforms deze bijeenkomst georganiseerd.
2.
Introductie van de sprekers door Martin van Nes, vice-voorzitter van het Platform Internationale Veiligheid en Defensie. Hij zal de bijeenkomst voorzitten en trachten het gesprek in goede banen te leiden.
3.
Inleiding:
“Exploring Global Perspectives on the United States”, door Dr. Philip Everts, docent
Internationale Betrekkingen aan de Universiteit te Leiden, directeur ISS, tevens lid van de
Commissie Vrede en Veiligheid (AIV).
Dhr. Everts zet zijn bijdrage uiteen in vier hoofdlijnen:
1. Het Amerikaans buitenlandse beleid en de publieke opinie.
2. Hoe kan de huidige transatlantische kloof geduid worden?
3. Welke rol kan en moet Europa hierin spelen?
4. De actuele politieke situatie.
Waardoor wordt de relatie EU-VS gekenmerkt? Welke rol spelen de VS en de EU in het buitenlands beleid? Komen de Amerikanen van Mars en de Europeanen van Venus? (“Transatlantic gap”, Robert Kagan, 2003). Geeft deze stelling de tegenstelling weer?
Everts benadrukt dat zonder twijfel de VS momenteel de grootste supermacht is, waarbij de invloed van Europa in het niet valt. Maar ook supermachten als de VS hebben internationale samenwerking nodig. Zelfs de machtigste staten kunnen niet vertrouwen op het oude adagium: “Let them hate us, as long as they fear us”. De steun van de publieke opinie is onontbeerlijk. En “to win the heart and minds of people” is daarom een algemeen erkend doel in de buitenlandse politiek en de maatschappelijke diplomatie. Op het moment benadrukken de Democraten het belang van de transatlantische relatie meer dan de Europeanen.
Opinieonderzoek (door ISS) wijst echter uit dat het internationaal tanende Amerikaanse prestige, dat samenvalt met de periode van het presidentschap van George W. Bush, vooral te maken heeft met het toenemend gebruik van militair geweld, met name in de oorlog met Irak. Ten tijde van 9/11 en vrijwel direct daarna de oorlog tegen het Taliban-regime in Afghanistan kon de VS nog rekenen op wijdverbreide steun. Met de oorlog tegen Irak heeft de Amerikaanse buitenlandse politiek een kloof doen ontstaan zowel binnen de VS zelf als in de landen die deel uitmaakten van de internationale coalitie.
Op veel aspecten van het buitenlands beleid bestond overeenstemming, bijvoorbeeld over het karakter van het regime van Saddam Hoessein, de wens dat hij en zijn regime zouden worden verwijderd en de vitale rol voor de VN. Naarmate de oorlog langer duurde en verbetering uitbleef, vervloog deze steun en in april 2003 bleek uit opinieonderzoek dat slechts zeven van de 44 landen de oorlog tegen Irak gerechtvaardigd vond. Dit beeld werd bevestigd in latere peilingen en steeds minder landen ervaren de wereld “as a safer place” na de militaire interventies in Afghanistan en Irak. Integendeel, veel landen menen (enkele uitgezonderd) dat de acties in Irak het terrorisme hebben verergerd.
Meer in het algemeen wordt de Amerikaanse benadering van de buitenlandse betrekkingen in toenemende mate afgewezen. Vooral de oorlog in Irak benadrukt het verschil in benadering van internationale zaken. De VS benadert de wereld op basis van een fundamenteel onderscheid tussen goed en kwaad en de bereidheid om unilateraal geweld te gebruiken. Dit wordt door Europa gezien als een specifiek fenomeen van de huidige Amerikaanse regering.
De Europese landen baseren hun benadering veel meer op multilaterale besluitvorming en op internationale wetgeving.
Desondanks bestaan er veel overeenkomstige waarden en belangen. Zoals het belang van de oorlog tegen het terrorisme. Europeanen zijn in principe net zo bereid om geweld te gebruiken. Toch geven Europeanen eerder dan Amerikanen prioriteit aan zachte instrumenten. Voor Europeanen is gebruik van geweld het ultieme middel, alleen te gebruiken als alle andere bronnen hebben gefaald.
Hoe moeten we de huidige transatlantische kloof duiden? Afhankelijk van persoonlijke en toevallige factoren? Bijvoorbeeld de persoonlijkheid van de president en het beleid uitgevoerd door zijn regering? Of zijn er vooral structurele factoren? Opinieonderzoeken geven aan dat meerderheden in vele landen ten tijde van de verkiezingen de voorkeur geven aan de Democratische kandidaat voor het Amerikaanse presidentschap. De peiling wees echter ook uit dat de terugval van president Bush tot stilstand kan komen, mits hij een stabiele omgeving weet te creëren tijdens zijn tweede termijn. Sommigen stellen dat de achteruitgang van het Amerikaanse prestige vooral te maken heeft met het feit dat Amerika de enige overgebleven supermacht is, die angst en zelfs haat creëert onafhankelijk van welke partij er aan de macht is. Andere structurele factoren die een rol kunnen spelen zijn de Amerikaanse economische macht en de wereldwijde invloed van het economisch systeem of van de traditionele buitenlandse politiek. De bron van kritische zienswijzen op de VS zijn meer ideologisch dan geopolitiek van aard. Maar er is meer aan de hand en dat heeft te maken met het einde van de Koude Oorlog.
Welke rol kan Europa hierin spelen?
Sinds het einde van de Koude Oorlog delen Europeanen en Amerikanen niet meer hetzelfde wereldbeeld, vooral niet voor wat betreft de fundamentele ideeën over het karakter van de internationale betrekkingen, de betekenis van macht en het gebruik van militair geweld.
En hoewel statistieken laten zien dat er al vele jaren opgaande en neergaande bewegingen zijn in de transatlantische relatie, met hoogtijdagen tijdens de Koude oorlog in de jaren vijftig en zestig en met dieptepunten tijdens de Vietnam-oorlog als ook tijdens de jaren zeventig en tachtig m.b.t. nucleaire wapens en beleid t.o.v. de Sovjet-Unie. Maar ook toen is de relatie hersteld. Al die jaren bleef er steun voor de Westerse defensieprincipes en voor de Atlantische relatie.
Op dit moment is echter het diepste punt bereikt in vijftig jaar. Dit laat zien, in weerwil van genoemde precedenten, dat de situatie nu verschilt van eerdere schommelingen. Deze keer zou de herkenning van gemeenschappelijke waarden en belangen, die “een reservoir vormt van goede wil” in moeilijke tijden, wel eens onvoldoende kunnen zijn om de fundamentele meningsverschillen te overbruggen. Op andere terreinen echter (o.a. films, muziek, moderne techniek), bestaat er grote interesse voor Amerika als land van de onbegrensde mogelijkheden.
Het concept van het anti-Amerikanisme is een derde verklaring van de huidige negatieve gevoelens. Dit concept wint aan populariteit en wordt veelvuldig gebruikt als polemisch instrument. Het wordt gekenmerkt door een emotionele, instinctieve afwijzing van alles wat Amerikaans is. Aanhangers van dit concept brengen Amerika naar voren als een fenomeen met lang gevestigde wortels in traditionele opvattingen, als een slechte en corrupte gemeenschap of als een staat die uit is op de verovering van de wereld.
Anti-Amerikanisme kan gevonden worden bij links waar de oppositie zich richt op het destructieve karakter van het Amerikaanse kapitalisme en het imperialistische karakter van het traditionele buitenlandse beleid. Maar ook bij rechts waar anti-Amerikanisme wordt gericht op het gebrek aan cultuur en op de negatieve kanten van de Amerikaanse massacultuur. Er kleven echter ook nadelen aan dit soort stereotypen. Met name als mensen ze voor waar houden kan de kritiek latente haat opwekken.
Het belangrijkste is echter dat de VS altijd een symbool is geweest van de moderniteit, die niet overal wordt gewaardeerd en niet altijd wordt geaccepteerd. Ontwikkelingen die weerstand oproepen, zoals urbanisatie, secularisatie en massacultuur, worden dan geportretteerd als karakteristiek voor Amerika.
Bij buitenlands beleid is het de vraag of acties worden gezien als kwaadaardige bedenksels en of fouten worden gezien als misdaden die het duivelse karakter van Amerika als imperialistisch en agressief weerspiegelen. Tenslotte, de huidige golf van anti-Amerikaanse gevoelens heeft verschillende oorzaken. In de nadagen van de koude oorlog is de VS het machtigste land ter wereld geworden, wiens politieke, economische en culturele invloed steeds verder strekt. Het is niet verrassend dat velen een dergelijke macht beschouwen als een grote bedreiging voor hun eigen maatschappij / landen. Internationale opiniepeilingen laten veelvuldig zien dat dit het geval is.
We kunnen in Europa globaal vier methoden onderscheiden om met de transatlantische kloof om te gaan, die je kunt schematiseren in een matrix (zie figuur).
|
|
‘afhankelijk’ van de VS |
‘onafhankelijk’ van de VS |
|
militaire macht |
Blair |
Chirac |
|
civiele macht |
Schröder |
Zwitserland |
Enerzijds is er het onderscheid tussen een ‘afhankelijke’ opstelling van de VS, zoals bij Blair en Schröder, en een meer onafhankelijke koers, zoals voorgestaan door bijvoorbeeld Chirac en Zwitserland. Het proces van het zichzelf onafhankelijker maken is een moeilijke, psychologische exercitie.
Daarnaast is er verschil in het soort toegepaste macht: terwijl Blair en Chirac meer op militaire macht vertrouwen, steunen Schröder en Zwitserland vooral op civiele macht.
Wat de actuele politieke situatie betreft zou Nederland er goed aan doen een iets onafhankelijker koers te varen dan tot nu toe. Wat meer gericht op Europa, zonder in anti-Amerikanisme te vervallen. De VS en Europa hebben ondanks een zichtbare kloof, zeer veel met elkaar gemeen. De transatlantische relatie blijft essentieel om nieuwe internationale dreigingen te kunnen weerstaan.
4.
Bijdrage van Bram Boxhoorn, directeur van de Atlantische Commissie.
Er is al lang sprake van een structurele ongelijkheid tussen de VS en Europa. Tijdens de Koude Oorlog leek die verdwenen, maar daarna is deze weer volop zichtbaar geworden. Volgen de VS traditioneel een strategie van sticks en carrots (straf en beloning), Europa beperkt zich tot de carrots. Europa is ‘hard on soft power, and soft on hard power’. Na de breuk van het einde van de Koude Oorlog (1989) volgde de breuk van 11 september 2001. De nieuwe VS-strategie was echter wel al eerder dan 11 september 2001 ingezet. De accenten in de buitenlandse politiek na 11 september zijn wel verschoven richting Azië en het Midden-Oosten.
De Europese integratie in de EU is erg succesvol verlopen, mede dankzij steun van de VS op het gebied van de veiligheidsgaranties. Maar de EU blijft een vat vol tegenstrijdigheden. Diversiteit en homogeniteit gaan hand in hand. Een echt federale structuur is niet haalbaar.
De VS speelt op drie schaakborden: economisch, politiek en militair. Maar op de eerste twee is de VS geen supermacht (meer); op het militaire vlak wel, maar daarbij is snel sprake van overstretch. Economisch verschuift het zwaartepunt van de VS en Europa naar Azië. Japan en China zijn voor de VS al belangrijker dan de vijf grootste EU-economieën. Qua politieke macht kan de VS het ook niet meer alleen rooien. Bovendien worden de verkeerde conclusies uit de geschiedenis getrokken: democratie kan je niet per decreet invoeren.
De Navo wordt door de VS meer gezien als militaire organisatie, en niet zozeer ook als een politieke. Dit zou een slechte ontwikkeling voor het bondgenootschap. De VS geeft echter een voorkeur aan ‘coalitions of the willing’. Alternatieven voor de Navo zijn echter ongeschikt. Het risico van een multipolaire wereld is dat de EU vervalt tot een soort Ottomaans rijk. Boxhoorn pleit wel voor machtsdenken van de EU. De EU moet ‘leveren’. Het is tijd voor een verlicht Atlanticisme. Artikel 5 blijft van belang, maar daarnaast ligt de nadruk ook op ‘out-of-area-operaties’. De nieuwe Navo heeft zich al bewezen: in voormalig Joegoslavië (Kosovo), bij de defensiehervormingen in Oost-Europa en in Afghanistan. We moeten de Noordatlantische Raad revitaliseren als politiek discussieforum voor Canada/VS/EU. De Hoop Scheffer heeft voorstellen in die richting gedaan, en ook Bert Koenders (PvdA) pleit hiervoor.
De EU moet zich goed realiseren dat het de VS meer nodig heeft dan andersom, bijvoorbeeld i.v.m. diens macht in Azië. Denk aan de economische verwevenheid van Europese en Amerikaanse bedrijven.
Dan is er ook nog het probleem van de ‘burdensharing’. Taakspecialisatie is nog steeds geen oplossing. Europa zal zich echter wel militair moeten versterken, en daartoe zullen de defensiebudgetten opgeschroefd moeten worden. Tot slot benadrukt Boxhoorn dat de verschillen tussen Europa en de VS niet te herleiden zijn tot cultuurverschillen, maar eerder gelegen zijn in verschillen in politieke prioriteiten.
5.
Bijdrage van Jan ter Laak, o.a. adviseur van het Helsinki Comité en Pax Christi.
Pax Christi werkt nauw samen met mensenrechtenorganisaties in de EU en de VS, zoals Human Rights Watch en Freedom House, onder andere m.b.t. Cuba, Tsjetsjenië, Iran en het Midden-Oosten. Opvallend verschil is dat HRW niet afhankelijk is van overheidssubsidie, en ook kritiek levert op de VS.
Ter Laak bespreekt vier cases:
- Tsjetsjenië: Organisaties doen een beroep op de Raad van Europa, maar er is te weinig Europese kritiek op het Russische optreden. Wel biedt bijvoorbeeld het Chechnya Justice Initiative hulp aan individuen bij het formuleren van klachten tegen Rusland bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
- Cuba: Nederland neemt bijna dezelfde positie t.a.v. mensenrechten in als de VS. Dat komt doordat er geen andersdenkende NGO’s meer zijn.
- Iran: Er bestaat een grote kans dat de VS (en/of Israël) de nucleaire installaties gaat bombarderen. De Iraanse bevolking is voor de Amerikaanse druk, maar het is de vraag wat er gebeurt bij een aanval.
- Midden-Oosten: Abbas is door de Palestijnen gekozen als vriend van de VS, in de hoop zo invloed te krijgen op Israël. Het is de vraag of dat lukt. Druk van de EU en de VS op Israël is nodig. Een oplossing is van groot belang voor de transatlantische betrekkingen.
Aangezien de EU en de VS altijd de politiek ten aanzien van militair/strategische aspecten boven mensenrechtenbelangen plaatsen, is het belang van het werk van NGO’s des te belangrijker.
Ter Laak moedigt Europese NGO’s aan Amerikaanse partners te zoeken. En Nederland zal moeten blijven laveren tussen transatlanticisme en Europeanisme.
6.
Discussie. Door de aanwezigen werden vragen gesteld over de positie van Europa. In hoeverre kan men uitgaan van de eigen positie en in hoeverre moet rekening worden gehouden met de macht van de VS? Verder kwamen er vragen over de positie van president Bush en over de invloed van religie op de verkiezingen. Daarnaast bleek er interesse voor de Nederlands positie in de NAVO en wat daarin zou moeten veranderen.
Tot slot bleken de sprekers het wel met elkaar eens dat anti-Amerikanisme geen hout snijdt, dat er zeer veel overeenkomsten en belangen gedeeld worden. Zij verschilden wel van mening in welke mate Nederland moet streven naar een onafhankelijker positie t.o.v. de VS (niet/wel á la Blair). Ter Laak stelde dat contacten met NGO's niet zijn voorbehouden aan fracties als de Groep Wilders; er zijn tal van andere groepen die benaderd (kunnen) worden.
